Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichte kamer staan. Hij zal er zijn hand omheenbuigen en glimlachen. En als ze 's morgens ontwaken in het blanke ochtendlicht, dat de kamer wijd doet schijnen, dan zal hij zeggen : — Zie, hoe wit ze nu zijn, de sneeuwklokjes. — Dan zal het zijn, of ze weer den klaren kristaltoon hoort. Er zal een helderheid in baar zijn .... een weten van vele dingen, die ze anders heelemaal niet weet .... een moment zal het gansche, duistere leven doorzichtig zijn en niet vreeswekkend, omdat ze, volgend den klaren toon, slechts vrede ziet.... stil .... wit. Ze zal opademen en het moment van helderheid zal verzonken zijn en ze zal niet anders meer weten dan : Er was iets heel goeds. Als ze dan later in het groene vaasje de sneeuwklokjes vindt, blijft er iets van wonder om de witte bloempjes hangen, die immers door de andere vrouw geplukt zijn en gebloeid hebben in het droomParijs.

Ze zegt: — Ik droomde van begonia's, die als starre, booze oogen waren. Het was, of ze iets wilden of wisten. Het maakte me zoo bang. —

Het reëele tastbare leven wordt voor haar tot een boozen droom van de andere vrouw. En over deze booze droomen glimlacht de man zijn weemoedig-teederen glimlach en zijn fijn-gelede handen streelen den angst weg.

De andere vrouw is gelukkig. Vele malen gaat ze glimlachend en rijk door het parelgrijs Parijs. Door de hellende straten met de duistere winkeltjes, waar-

Sluiten