Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

straatweg en de blauwgouden nevel was het doek — heeft Stance een gevoel van schamelheid gegeven.

— Gek —, denkt ze, — ik heb maar liever dat het leven een beetje treurig is ... . een beetje grijs. Dan zie ik het zoo niet. Als het zoo blij is ... . zoo hel, voel ik me net een bedelaarskind. En toch zou ik niet eens graag mee willen doen .... niet eens graag mee willen rijden met de tilbury. Wat moet het vreeselijk koud zijn ! —

— En vanmiddag gaan we schaatsenrijden — stelt Jetje vast.

Ze zijn in de tuinkamer. Hier zijn de bijna ontdooide ruiten als een goud-schitterend transparant. De zon staat erachter.

Stance heeft wel gezien, dat ze haar schaatsen bij zich had, maar ze heeft gemeend, dat misschien 's middags dokter Frijling zou komen en dat ze dan rijden wilden op de ijsclub.

— O nee —, zegt ze nu ontdaan, — o nee, ik ga niet Jetje. —

— Waarom niet —, vraagt Jetje, — je was er dol op vroeger en je hebt altijd zoo goed gereden. Waarom zou je niet gaan nü, nu het kan? We hoeven alleen maar den tuin door te loopen en we kunnen zoo op de gracht gaan rijden. —

— Je hoeft alleen je eigen tuin maar door te loopen en dan kun je zoo op de gracht gaan rijden. —

Sluiten