Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoel hem bij. En het werd intenser, als hij den salon binnenging, waar de mahoniehouten, met rood pluche bekleede meubelen zoo vormelijk stonden, alsof ze wachtten op een ceremonieel, dat immer uitbleef.

Daar zat dan Stance. Het roode pluche kon zoo verstorven lijken in het namiddaglicht, vooral als zijn oogen nog gewend waren aan de heller klaarte buiten, dat het leek, of je het zag door rouwfloersen.

Wat zit je hier in donker te koekeloeren —, viel

hij dan korzelig uit.

Hij verwachtte geen antwoord. Hij ging geïrriteerd het gas opsteken en vond in den killen glans de kamer nog vijandiger. — Het was haar schuld —, dacht hij dan geprikkeld. — Alles was haar schuld —, en hij keek naar haar, lang en indringend, bijna zooals zij kon kijken naar den tuinkabouter.

Ze zat 's winters als een kleumsch vogeltje bij de kachel gedoken, 's zomers meestal in een hoek van de canapé.

— Waarom zat ze daar zoo met die groote oogen in het vermagerde gezicht? Geen enkele vrouw zat zoo. Waarom zat ze daar met smalle, blanke, werkelooze handen? Waarom naaide of borduurde ze niet? Wat ging er in haar om, als ze daar werkeloos zat? Zat ze altijd zoo, al de uren dat hij weg was ? Of leefde ze dan een heimelijk leven waarvan hij niet wist?

Hij voelde een diepe, onoverbrugbare vijandigheid tusschen haar en hem en toch wou hij haar halsstarrig

Sluiten