Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zacht suizende aanwezigheid. Slechts vaag en omfloerst drongen huiselijke geluiden door. Het waren witte dagen. Het was haar, of het immer sneeuwde. Niet buiten haar, maar in haar. Een ijl en duizelend en blank vallen, dat even goed stijgen kon zijn.

In deze gewichtloosheid kwamen en gingen de droomen, eveneens blank en zonder zwaarte.

Een enkele maal had ze gedacht: Misschien is

dit nu sterven. —

— Sterf ik? Is dit sterven? —

Een moment was ze dan wel ontwaakt tot de buitenwereld. Stilzonnige Septemberdagen. Een teeder belijnd mozaiek van gele bladeren in blauwe lucht.

Ze had het niet lang vast kunnen houden. Ze was weer weggegleden naar het blanke, zwaartelooze.

Droomen daarin. Droom dit alles. Geen enkel ding omlijnd niets meer een afzonderlijkheid .... alles

vervloeiend .... ook zijzelve.

Een hand het eenig wezenlijke de koestering

van een hand. Een hand, die zich buigt om de wereld. . . . die zich nijgt om de wereld met een teedere streeling of de wereld de zachte wang was van een geliefde vrouw.

En in het hart van de wereld is zijzelve. Een zacht

zacht.... zacht deinen. Maar de wereld is niets dan een tuiltje witte sneeuwklokjes. Nu is er de klare toon. . . . de kristaltoon, die van ver komt en naar ver gaat. . . . het opgeloste raadsel .... het weten.

Nu vaartwel dan, sprak ze eindelijk. De lichtgolfjes

Sluiten