Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Johanna niet tegen te komen. Uit de glimmende traproeden grijnst Johanna's onverstoorbare zelfverzekerdheid haar aan. Met een zucht van bevrijding sluit ze de deur van de zolderkamer achter zich. De sleutel draait ze om. Dan zit ze op den krakenden rieten stoel tusschen de koffers. Uit de eene, waarin ze ook het portret van oom Emile verborgen heeft, heeft ze het oude tapisseriewerk opgediept, dat een paradijsvogel voor zou stellen. Eens .... hoe lang geleden .... begonnen. Toen zijn de felle kleuren haar een klein plezier geweest. Ze heeft het nooit afgemaakt.

Nu haalt ze mechanisch de kleurige draden, blauw en groen en rood en oranje, door de zwarte zij van de stof. Het is, of dit bezig zijn van haar handen haar geest los maakt van het lichaam. Ze glijdt in storelooze vlucht de goede droomwereld binnen.

Haar droom is geen gebeuren meer. Niets dan een licht en zwevend „er zijn". Eens toen Minette vroeg : — En wat doen we dan in de blauwe bosschen? — heeft Pompadour geantwoord : — Dan zijn we daar toch. —

Het antwoord is Minette niet erg bevredigend voorgekomen, maar glimlachend denkt Stance nu, hoe het geluk toch niet anders is dan dit wenschloos, tijdloos „er zijn". De kruidig-zoete geur van vlierbloesem omwolkt haar opeens weer. Met de afgevallen bloemkelkjes van den vlierboom hadden ze de mooie kamer van hun huis bestrooid .... sneeuwbloesem .... en op dit wit

Sluiten