Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tapijt zaten Minette en Pompadour bijeengehurkt en beraamden plannen, om te vluchten van Ma. En Pompadour heeft het wel goed geweten : — Dan zijn we daar toch. —

Traag trekt ze den glanzenden draad door de zwarte zij van de stof. Ze verlangt niet meer, dat de paradijsvogel af zal komen. Ach neen. Het op en neer en op en neer van de naald en den draad is niet anders dan een rhythme, waarlangs de droomen glijden kunnen. Ze ligt in het bed voor het open raam. Zij .... niet meer „de andere vrouw". Zij, die ook „ik" is. Er is maar één vrouw meer en ze leeft daarginds.

Sinds lang niet meer het speelsche kind, dat in haar rose hemdje met het lichte schuim van de vele, ragfijne kantjes, door de kamer danste en „pak me!" riep. De blijheid .... de overmoed .... is verstild tot dit wijd en weemoedig „laatste geluk". Zoo is in het parelgrijs Parijs een donkerheid van weemoed gezonken, die het tot avondlijk hyacinthblauw heeft verdiept.

— Ik zou een jurkje van hyacinthblauw kunnen hebben .... als ik wilde. —

— Maar ik wil niet. —

Ze wil geen schrede verder gaan, want weet ze niet, dat ze in dit hyacinthblauw zou vervloeien, zoodra ze het beroerde. En dan zou immers ook de droom verloren zijn .... vergaan, vergleden.

De vreugde .... dat is geweest oranje lijsterbes tegen een lucht van mateloos diep blauw.

Sluiten