Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En de verwachting dat is geweest de parelglanzende flonkering. En de beklemming .... dat was een schemergroene tuin met de strakke, booze oogen van

de begoniabloemen erin.

En dit? Deze hyacinthblauwe, nabije horizon? De samenvloeiing van liefde en sterven?

Trok daarheen mijn mateloos verlangen? Nu ben ik het zoo nabij gekomen. Geef me je hand liefste. Geef me den glimlach van je oogen, in wier diepte ik mijn eigen droomen langs zie glijden.... zulke vreemde en stille kinderen. Geef me den zachten kus van je

lippen en laten we niet meer verder gaan. —

* *

*

Zoo zat ze in de zolderkamer en nauwelijks sloeg ze acht op de wisseling der seizoenen.

De lente.... de zomer.... Ze zag hun kleine wezenlijkheden nog slechts geprojecteerd in haar droom, die nu gestadig voor de nevelwereld van het reëel gebeuren stond. De hyacinthblauwe droom .... nauwelijks

meer transparant.

De lente.... als een blanker klaarte binnen het blauw der bloemkelkwanden. Op een dag : de kindervuistjes van de kastanjebladeren, die zich hebben opengespreid. Onder den val van het blanke licht staan ze bevend van verwachting en van angst. Nee, ik zie het niet meer graag, liefste. Het maakt me droeviger ze

Sluiten