Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het eenige dat ze volkomen helder weet is, dat ze wakker moet blijven.

Een fijn schreigeluidje klinkt op, zwak .... klagelijk, als van een diertje. Niet het borende, wilskrachtige dat ze zich herinnert van vorige keeren.

— Och, nou is ze wakker geworden. Wacht mevrouw, ik zal haar halen, de schat. —

Over haar bed buigt zich het zware lichaam van de baker. Dan is daar het kind .... klein in witte kleeren, hulpeloos .... klagelijk schreiend.

Meisje? Een meisje?

Haar oogen zijn zwak en moe en willen alle beelden wazig zien. Ze moet zich inspannen, om dit eene beeld .... het kind .... het meisje .... scherp te krijgen. Het gezichtje is klein en ouwelijk onder het donkere pluishaar. Waren de anderen ook zoo? Maar er is het zwakke schreigeluidje, dat niet eenmaal zich verheft. Zoo zwak en klagelijk als van een ontredderd beestje, wanhopig en gelaten tegelijk. Zoo hebben geen van de anderen geschreid.

— Suja, suja —, doet de baker. — Moet je nou huilen as je je moesje ziet? —

Stance staart in de vage, nachtelijke onbewustheid van de baby-oogen en het komt haar alles zoo onmetelijk droevig voor. Zoo'n wijde.... wijde droefheid, die ze niet bevatten kan. Nu is er een meisje geboren .... een deerntje, zegt de baker .... er is weer een leven begonnen .... en zij was net gekomen aan

Sluiten