Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had haar donkere krulletjes behouden en de wimpers boven de wazige ongewisheid van de oogen waren lang en donker en even omgekruld.

Stance zou niet hebben kunnen zeggen, of ze nu hield van dit kind. Maar ze voelde er een brandend medelijden mee. Het arme, arme, kleine kind .... zóó hulpeloos .... en toch loerde ook op haar al het booze oog van het leven.

Ze reed den kinderwagen voorbij het rhododendronboschje, uit het gezicht van de strak-starende begoniakelken. Zij schenen deel te hebben aan dat loerende booze oog .... er deel van te zijn. Het was, of ook zij wisten en gruwelijk geduldig wachten, omdat ze zoo zeker wisten.

In het zacht geluidloos gaan over de gladde, hier en daar groenig bemoste paden, al heen en weer en heen en weer — herdacht ze dan wel haar oude droomen. Het parelgrijs Parijs de hyacinthblauwe bloemkelk .... de blauwe horizon, die voor het venster van de hooge kamer stond .... het laatste.

Daar leefde nu weer „de andere vrouw". Hier was, na zooveel jaren weg te zijn geweest, Stance Marens

teruggekomen.

Een houtduif koerde vanuit de groene heimelijkheid van een boomkruin. Een zacht, blauw en wazig geluid.

— Recalled to life — het was de kleur van het geluid, die haar deze woorden deed denken. En tegelijk met de woorden hoorde ze de broze, de ragdun-broze, de bijna brekende stem van een oude vrouw. En het motiefje van de stille, glanzende kamer met de blauwe

Sluiten