Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK 12.

De Augustusmiddag was heel warm geweest. Nu, tegen schemeravond, ging er in de boomkruinen een geruchtige bedrijvigheid om. Het was of elk klein blad de apathische loomheid, waarin het gedurende den broeiend heeten namiddag verzonken had gelegen, nu resoluut afschudde. Of elk klein blad zich rekte en strekte en naarstig toilet begon te maken, om frisch en fleurig op te gaan tot een of ander nachtelijk festijn.

De kelken van de begoniabloemen in het stervormig perk glansden hel in den schemeravond. — Ze waren veel grooter dan anders —, dacht Stance.

Van de stad woei kermisgerucht aan. Ook de kermis ontwaakte, nu de avond viel, uit de namiddagsche landerigheid tot een koortsig-fel nachtleven. Hysterisch als kijvende vrouwen speelden twee draaiorgels tegen elkaar in. Telkens klonk dof en zwaar de slag op den kop van Jut. Door de geuren van den avondlijken tuin mengde zich zoo nu en dan een vleugje baklucht.... poffertjes en oliebollen. En een visioen van schitterlichte kermiskramen en deinende, hossende kermisjool flitste dan wel aan Stance voorbij. Meer vreemd dan prettig altijd de kermis .... een beetje angstig vreemd.

Stil lag het huis met alle ramen open naar den zomernacht. Alleen in het ver verwijderd sous-terrain zong

Sluiten