Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze voelde het bonzen van haar hart, pijnlijk .... stroef. . of het maar moeilijk nog verder sloeg. Het kind hield ze dicht tegen zich aan. Nog ritselde het in de boomen, maar plotseling, of heimelijk een teeken was gegeven, viel een beklemmende stilte over den tuin. Niet één enkel blad bewoog meer. Ontsteld keek ze omhoog. En vanuit het zwarte duister greinsde haar het weten aan. Ook zij wisten. Al de kleine bladen wisten en zagen nu in gespannen stilte toe, hoe ze ging langs den weg, dien ze onafwendbaar had moeten gaan. De heele tuin wist en wachtte .... en wachtte in kille, meedoogenlooze spanning. Misschien hadden ze jaren gewacht.... de begoniabloemen en de oude boomen en de zwarte aarde en de heele duistergroene tuin.

Ze rende bijna het tunnelachtig overwelfd tuinpad af naar het lichter bleekveldje. Ze ademde bevrijd op in het opene. Over den hemel lag een zachte lichtglans. Ergens moest de maan zijn. De wereld was hier van een schemerig, onwezenlijk zilverblauw, waar nog een vleugje daglicht doorheen speelde. Ze hoorde nu ook weer duidelijk het kermisgerucht. Bons .... bons .... de kop van Jut en de hysterisch tegen elkaar in kijvende draaiorgels. En de schor-heesche zang van hossende menschen, ver weg. Boven de stad kleurde de lucht rosrood. De kermis ... het was wel aardig geweest uit de verte, maar als het dicht op je aandrong maakte het je bang.

De handjes van het kind waren warm onder de cape. Het mocht vooral geen kou vatten.

Nu ligt het water voor haar, zwart en stil met een zwak

Sluiten