Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zilverglanzen erover. Alsof het licht van binnen uit. Ergens in de diepte, op den bodem van het water is dat licht, kil en klaar. Schimmig verglijden de golfjes langs de houten beschoeiing aan den overkant. Ze kan ze bijna niet zien.

Lang, bewegingloos blijft ze staren in het water. Er zijn geen gedachten. Slechts een vreemd vast gehouden worden door dit flauwtjes lichtend water. Er is iets, dat ze nu zal zien of zal weten of zal doen. Er zal iets gebeuren. In haar is het gespannen stil. Ze is plotseling niet bang meer.

Het maanlicht wordt allengs sterker. Nu kan ze beter het verglijden der lichtgolfjes aan de overzij zien.

Ze staat op het steigertje. Bijna in het zwarte, flauw zilverig glanzende water. Gerard heeft gezegd, dat hij een boot wil koopen volgend jaar, om met de jongens te gaan roeien.

Klein meisje. Ik houd toch wel van je. Omdat je zoo stil bent.... zoo stil leeft. Je mag geen kou vatten. Slaap je? Nee, je oogen zijn open. Wat sta ik hier raar op het steigertje en het water is zoo dichtbij. Ik moet je thuisbrengen .... in de wieg leggen. Je moet immers slapen, want nu is het nacht.

Maar het onbewuste, verdoofde deel in haar beheerscht haar handelingen. Ze kan niet weggaan van het steigertje.

— Want nu is het nacht — deze woorden moet ze nazeggen in zichzelf. — Want nu is het nacht — Ganschelijk verlaten ligt de kade aan de overzij onder de zwaar bebladerde kastanjeboomen. Een nachtuil vliegt

Sluiten