Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij hoorde een plons en een kreet. Hij was, hoewel een dichter, ook een goed zwemmer.

Hij sprong onmiddellijk in het water. Het kind, waarvan de witte kleertjes hel lichtten in den avond, wist hij te redden.

— Afschuwelijk — zei hij. — Afschuwelijk. Ik zag haar. Misschien deed het maanlicht het. Het was, of ze lachte. Zoo'n akelig-onwezenlijke lach .... of ze er zelf niet bij was .... of ze droomde .... of ze heel iets anders zag. Het kind? Ik weet het niet. Ik zag eigenlijk alleen haar. Ineens had ik het kind. Misschien gaf ze het me wel. Het ging alles zoo gauw. Eén oogenblik. Toen zonk ze weg. Dat gezicht, zoo wit in het maanlicht met dien vreemden, verren glimlach en de losse zwarte haren en dat langzame verzinken .... het was .... afschuwelijk. Ik zal het nooit vergeten. Dat water .... ik word misselijk als ik het zie, zooals ik misselijk word van slangen. —

Maar .... hij was een dichter, die gekke hoeden droeg.

EINDE

Sluiten