Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORNAAMWOORDELIKE AANDUIDING.

In de Kon. Besluiten van 1934 heette het: „Bij de voornaamwoordelijke aanduiding van zelfstandigheden richt men zich naar het beschaafde

spraakgebruik”. Die Besluiten waren dus geen klakkeloze kopie van min. Terpstra’s circulaire uit 1930, waarin gezegd werd: „Bij de voornaamwoordelijke aanduiding der zelfstandige naamwoorden richt men zich naar het beschaafde spraakgebruik”.

Vervanging: rechtstreekse aanduiding.

Dit verschil in formulering verdient onze aandacht. Daarin toch komt de dubbele manier tot uiting, waarop de betreffende voornaamwoorden dienst doen: ze kunnen zowel de gebezigde naamwoorden vervangen (Terpstra), als de zelfstandigheden d.w.z. de wezens, dingen, begrippen rechtstreeks aanduiden (Marchant). Terwijl bij vervanging naamwoorden en voornaamwoorden moeten kongrueren, behoeft er bij rechtstreekse aanduiding geen grammatiese overeenstemming te bestaan tussen de substantieven die de zelfstandigheid noemen, en de voornaamwoorden die onafhankelik van de gebruikte substantieven de zelfstandigheid aanduiden.

Een voorbeeld van rechtstreekse aanduiding is: „Z ij n e Excellentie, wiens deskundigheid nooit in het geding kan komen, verklaarde dat hij de adviezen van vereenvoudigers aan zijn laars zou lappen”. In „bijzondere taal en bijzonderen stijl” zou er genusovereenstemming zijn tussen de voornaamwoorden en de vrouwelike naam van het mannelik wezen: „Zijne Excellentie, Wier deskundigheid nooit in het geding kan komen, verklaarde

Sluiten