Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lat Zij de adviezen van vereenvoudigers aan Haar aars zou lappen”.

Vooral wanneer het personen betreft, fungeren de voornaamwoorden rechtstreeks aanduidend: „Maar het meisje achter haar venster bekomt yan de schrik, en zij lacht, zij lacht”. „Dat nieuwe clublid beweert, dat hij bewijzen kan familie yan je te zijn”.

Vergelijkt men nu wat in het K.B. van 18 Julie 1936 wordt voorgeschreven, dan blijkt meer dan duidelik tot welke resultaten iemand kan komen, die genus en sekse verwart en de voornoemde dubbele funktie van de voornaamwoorden niet ziet of dooreenhaspelt: „Onverminderd hetgeen geldt voor staande uitdrukkingen, bijzondere taal en bijzonderen stijl, richt men zich bij de voornaamwoordelijke aanduiding van zelfstandigheden en bij het gebruik van den tweeden naamval enkelvoud naar het beschaafde taalgebruik, met dien verstande dat zij, haar, der, dezer, enz. niet gebruikt mogen worden met betrekking tot de namen van mannelijke personen, van dieren, die óf uitsluitend een mannelijk individu aanduiden, of een gebruikelijk afleidsel op -in ter aanduiding van het vrouwelijk individu naast zich hebben, benevens met betrekking tot de woorden, die een kennelijk mannelijke zelfstandigheid aanduiden, en dat hij, zijn, hen, hun, des, dezes, enz. niet gebruikt mogen worden met betrekking tot de namen van vrouwelijke personen en de namen van dieren, die uitsluitend een vrouwelijk individu aanduiden”.

Afgezien van de taalkundig-filosofiese dwaasheid: „woorden, die een kennelijk mannelijke zelfstandigheid aanduiden”, bevat dit voorschrift heel wat willekeur en heel wat tegenspraak; het eist zelfs wat het wilde verbieden. Zo zou men bijv. moeten schrijven over „den vrouwelijken leeuw, wiens mannetje gestorven is, dat hij de dood des mannelijken wederhelfts, door zijn gebrul betreurt”.

Sluiten