Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gemeensiachtigheid.

Daar klassicistiese grammatici geen onderscheid maakten tussen vervangende en rechtstreeks-aanduidende voornaamwoorden, „ontdekten” zij de bij ons niet-bestaande gemeenslachtige substantieven. Wanneer men achtereenvolgens zegt: „kijk me dat

kind eens, hoe zoet hij speelt hoe zoet zij

speelt”, heeft die wisseling van de hier seksualizerende voornaamwoorden vanzelf niets met het genus van het onzijdige naamwoord te maken. Precies zo gaan ook bij niet-onzijdige naamwoorden als „gast, wees, persoon”, de wisselende pronomina buiten het genus van die substantieven om. Wie om beurten van een gast verklaart: „hij is er al, zij is er al”, of van een wees: „hij: zij is pas drie jaren oud”, betrekt de voornaamwoorden juist als bij „kind” rechtstreeks op de mannelike: vrouwelike persoon, niet op het gebezigde substantief. Zulke z.g. gemeenslachtige woorden zijn in de nederlandse dialekten eenslachtig, juist als bijv. het duitse der Gast uitsluitend mannelik, en die Waise uitsluitend vrouwelik is, onverschillig of het een mannelik of een vrouwelik wezen geldt.

Wanneer men van een kind zegt „kijk eens hoe zoet het speelt”, is er bij zulke kongruentie tussen nomen en pronomen niets op tegen van vervanging te spreken. Vergelijk nog gevallen als: „Daar stond bijvoorbeeld een vrouwtje voor de vierschaar, van hetwelk men meende, dat het Popoff als kommensaal geherbergd had”. „Het dochtertje van de koopman Teljuschkin was gestorven en men begroef het met zijn speelgoed”.

Noord en zuid.

Al is zulke voornaamwoordelike kongruentie niet tot het zuiden beperkt, ze is toch meer zuidelik dan noordelik georiënteerd. In de benedenmoerdijkse Nederlanden immers fungeren de voornaamwoorden — met name wanneer het dingen betreft — vooral vervangend; m.a.w. in het zuiden stemmen

Sluiten