Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de f r e u 1 e s in opgetogen bewoordingen van hun reisgezelschap”. „Grote groepen Graalmeisj e s in haar kleurige kostumes marcheerden onder de hoede van hun leidsters naar het Stadion”.

Het pseudo-meervoudige ‘haar’ is derhalve absoluut te verwerpen voor het hedendaagse algemene Nederlands. De historiese verhouding van hun en haar, èn als persoonlik èn als bezittelik voornaamwoord, laten we hier onbesproken. Alleen zij opgemerkt dat in het vroeg-middelnederlands het possessieve haar het enige meervoudspronomen was van de derde persoon (juist als nü nog het duitse ihr). Later werd het echter geheel door hun verdrongen; met dien verstande dat het ’r (d’r) nog als enklitiese vorm „van” hun in gewonere taal is blijven voortleven: „De mannen zijn weer aan d’r werk getogen”.

Personen en zaken.

Naast de groepering mannelik: vrouwelik: onzijdig bestaat er bij de voornaamwoorden ook nog een indeling persoonlik: niet-persoonlik. Sommige pronomina zoals men, iemand, elkeen betreffen uitsluitend personen, andere: iets, niets, alles kunnen alleen op ‘zaken’ betrokken worden. De tegenstelling persoon: zaak speelt bij de voornaamwoorden een veel grotere rol, dan de spraakkunsten plegen aan te geven, al doen zich bij dat taalspel dikwels allerlei komplikaties voor. Zo is hei interrogativum wie uitsluitend persoons-voornaamwoord, maar kan men het zaakpronomen wat ook op ‘personen’ toepassen: „Wie komt daar?” „Wat komt daar aan?” Terwijl het relatieve wie tot personen beperkt blijft: „Dit is de jongen met wie ik gekaart heb” — zijn de pronominale verbindingen waarmee, waarvan enz. niet enkel zakelik, maar ook persoonlik: „Zijn dat nu de jongens, waarmee je bent uitgeweest?” Weliswaar heeft de klassicistiese spraakkunst getracht het type ‘waarmee’ tot zaaknamen te beperken, maar ook hier

Sluiten