Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Samaritaan

Uit een land, waar men de Joden haat Sinds jaren her, toen Rabbi’s ’t schreven in hun wet, Dat elk, die ooit een voet in Samaria zet,

Gevloekt zou zijn — een mens, dien God voor goed verlaat.

(Johannes schrikt bij dat laatste.)

Toen kwam de dag, dat Hij de grenzen overschreed En met Zijn jongeren voor ’t eerst de weg betrad, Die voerde door ons land naar de gehate stad,

Die alle dingen voor het Paasfeest had gereed.

Johannes

Hij zond een paar van ons vergeefs om voor de nacht Te zoeken een verblijf.

Samariraan

Men hield Hem voor een Jood, Als zoveel and’ren. En het eerste vlek reeds sloot Voor Hem de poorten. Dat had geen van u verwacht. Gij drongt toen bij Hem aan — vertoornd door zoveel

hoon —

Om bliksemvuur, zoals eenmaal Elia deed.

Om dezen te verdelgen.

Johannes

Doch Hij sprak: gij weet

Het niet, van welk een geest gij zijt. Des mensen zoon Was niet gekomen om hier te verderven maar Om te behouden. En gelaten trok Hij voort,

Om bij een ander vlek te kloppen aan de poort.

Samaritaan

’t Was niet vergeefs voor ons. Ik stond met and’ren daar En hoorde, wat Hij sprak. Het was een nieuwe geest,

Sluiten