Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET VEELVULDIG ONNOODIG GEBRUIK VAN BRILLEN

geweest te zijn, dit te bewijzen, dat hypermetropie in hoogen graad, óók vaak berust op een psychogene spasme van de 2 schuine oogspieren, dus van de antagonisten der 4 rechte.

Ten laatste wil ik nog even terugkomen op die gevallen van presbyopie, die, na eenigen tijd gebruik van een bril, deze niet meer noodig hebben.

Na het verschijnen van mijn publicatie over dit onderwerp heb ik iemand ontmoet, die mij de verklaring gaf (schriftelijk bevestigd) dat hij na zijn 40ste jaar, om de paar jaar, in sterkte toenemende ouderdomsbrillen voorgeschreven kreeg; doch na ongeveer zijn sosten jaar geheel was opgehouden met het dragen van een bril, daar hij in de verte, evengoed als nabij, zonder bril kon zien. Bij verschillende oogartsen opheldering vragende omtrent dit verschijnsel, kreeg hij gewoonlijk ten antwoord „dat dit niet te verklaren was”.

Wanneer men echter dit verschijnsel als vicarieerende accomodatie van de uitwendige oogspieren beschouwt, zooals ik dit in mijn brochure beschreef, behoeft het niet meer als een onverklaarbaar wonder gezien te worden. Ik ben er trouwens van overtuigd, dat oogartsen met groote ervaring, meer dergelijke gevallen zullen tegenkomen, hoewel de kans daarop niet heel groot is, daar de meeste van de presbyopen, nl. de gelukkigen die geen bril meer noodig hebben, zich niet om die reden bij den oogarts zullen melden.

Nog met een enkel woord de vraag van een oogarts beantwoord, waarom enkele presbyopen zonder bril wel naaiwerk kunnen verrichten, maar niet kunnen lezen, zooals in mijn vlugschrift vermeld staat.

Mijn antwoord is, dat het evengoed andersom kan zijn, of wel, dat dezen nu eens mèt, dan weer zonder bril hetzelfde werk zullen verrichten.

Het is het raadsel van den wisselenden invloed van de ziel op onze physiologische verrichtingen. Ter verduidelijking van dit vraagstuk verwijs ik o.a. naar Alkan: Anatomische Organkrankheiten aus seelischer Ursache, Liek: Das Wunder in der Heilkunde.

Zoo heeft mij in mijn praktijk bizonder getroffen de wisselingen in het zien bij bijna blinden en in het hooren bij zwaar dooven. Soms trad bij enkelen, vaak dagen achtereen, een belangrijke, objectief waarneembare, functieverbetering op, terwijl er toch

Sluiten