Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET VEELVULDIG ONNOODIG GEBRUIK VAN BRILLEN

bestaan, met meer kracht van overtuiging dan laatstgenoemde, den patiënt kan opwekken tot beter zien.

Wel heeft de oogarts met een drukke praktijk niet altijd den tijd deze, soms tijdroovende, psychische behandeling toe te passen. Hij kan echter onder die omstandigheden desnoods beginnen met een, laat ik ’t noemen: tegemoetkomende bril, d.i. een bril die den spasmus eenigszins opheft en aldus aan den wensch van den patiënt gedeeltelijk toegeeft — een pia fraus dus. Doch wil hij hem, en dit geldt in het bijzonder den jeugdigen myoop, inderdaad helpen dan dient hij m.i. bij hem er op aan te dringen zooveel mogelijk zonder bril te oefenen en methodisch te leeren zien, hem tegelijkertijd het vooruitzicht gevende, dat hij, door de voorgeschreven behandeling gedurende eenige maanden toe te passen, de kans heeft geen bril of althans een zwakkeren bril noodig te zullen hebben. In deze richting psychologisch werkende zal de oogarts de groote voldoening kunnen hebben zijn patiënt te behoeden voor een anders bijna zeker toenemende invaliditeit.

DE OORZAAK VAN HET VEELVULDIG ONNOODIG BRILLEN

De vraag ligt voor de hand hoe het komt dat er zooveel t onnoodige brillen gebruikt worden. Wanneer men zal inzien dat het opnemen van de gezichtsscherpte voornamelijk een psychologisch werk is, zullen niet meer zooveel onnoodige brillen, in het bijzonder bij myopie, aangewend behoeven te worden, want hoe velen geven niet een minderen visus aan, dan zij werkelijk hebben, hetzij door gebrek aan inspanning, of door onoplettendheid, of wel door vóóropzetting (dikwijls onbewust) dat zij niet goed kunnen zien, dan wel door tal van gemoedsomstandigheden.

Bates zegt terecht in zijn meer aangehaald boek (blz. 264).; „Weil Niemand immer gleich gutes Sehvermögen hat”. Ieder nauwlettend persoon kan zulks bij zichzelf waarnemen, hetzij bij ’t lezen, hetzij bij ’t beschouwen van de natuur. Wij kunnen dikwijls uit den mond van scholieren vernemen: „Nu eenszieik op ’t bord goed, dan weer minder”, een bewijs dus voor de wisselingen in de accomodatie. Zoo heb ik vaak, bij de keuringen, door den onderzochte hooren zeggen vóór hij aan den regel was van het z.g. normale zien: „Nu wordt het wazig, ik kan niet verder zien”. Ik gunde hem dan een rust voor de oogen, wat Bates palmeeren

Sluiten