Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET VEELVULDIG ONNOODIG GEBRUIK VAN BRILLEN

met psychogene accomodatiestoornis, onder meer het gevaar bestaat, dat personen onnoodig, d.w.z. ongegrond, afgekeurd worden voor een door hen vurig verlangd beroep, waardoor aan de illusies van menig jongen man de bodem ingeslagen wordt.

In verband met het thema van mijn,opstel mag ik wel even ter sprake brengen het verschijnsel van het opvallend veel dragen van brillen in Duitschland. Ik meen dit te moeten toeschrijven aan de opvatting van de meeste Duitsche oogheelkundigen, dat het noodzakelijk is om iedere refractieafwijking, hoe gering ook, met een bril te corrigeeren, een opvatting, die nooit door Snellen Sr., de prakticus bij uitnemendheid gedeeld is; en zeker ook niet door zijn leerlingen. Genoemd verschijnsel in Duitschland heeft dus m.i. geen ethnologische beteekenis, zooals men dikwijls vermoedt, doch is zuiver psychologisch te verklaren, n.1. als uiting van de Duitsche neiging tot „maszregeln” in het overdrevene, zelfs in de brillenwereld.

In verband met bovenstaande beschouwingen acht ik het noodig te wijzen op het ongewenschte bedrijf van vele opticiens (gelukkig niet alle) om brillen te verstrekken, (het geldt hier voornamelijk aan jeugdige myopen) zonder voorschrift van den oogarts. Immers bij de keuze van een bril laten zij zich uitsluitend leiden door de subjectieve aanwijzingen van den persoon die een oogglas wenscht. Noch de gegevens van het skiaskopisch onderzoek, noch de waarde van den psychischen factor bij het zien, nota bene de twee voornaamste richtlijnen bij de keuze van een bril zijn hun bekend en er worden op die wijze veel brillen verstrekt, die kwaad doen.

Ik sprak over schommelingen in de gezichtsscherpte, in verband met de wisselingen in de accomodatiespanning. Terloops daaromtrent de volgende waarneming. Wij weten n.1. bij ondervinding, dat bij lang turen op een ster van de 6de of mindere grootte, men deze uit het oog verliest, doch dat zij weer tevoorschijn komt, wanneer men even den blik daarvan afwendt. Velen verklaren dit verschijnsel door vermoeidheid van zekere elementen in het netvlies (van het z.g. Sehpurpur). Doch het staren op een zoo weinig verlicht punt als een ster van genoemde sterkte kan toch niet de kracht van bedoeld element uitputten. Wel vindt dit verschijnsel naar mijne meening een redehjken grond in de normale wisseling, hoe gering soms ook, van de accomodatie, dus ook van de gezichtsscherpte.

Sluiten