Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET VEELVULDIG ONNOODIG GEBRUIK VAN BRILLEN

van de zintuigorganen, zoomede van de organen van de motorische sfeer, komt men, deductief denkend, tot de conclusie, dat deze wisselingen in de levensprocessen niet te duiden zijn, zooals de mechanistische leer aanneemt, uitsluitend als chemische en physische werkzaamheden, daar deze beide toch de karakteristiek hebben van standvastigheid, maar beinvloed worden door de ziel.

De dwaling van de mechanistische leer berust daarop, dat zij in de energie van de onbezielde stof, zich openbarende in physicochemische krachten, een parallel zoekt met de levenskracht. In deze theorie van de psycho-physische paralleliteit wordt echter door de belijders van de mechanistische leer over het hoofd gezien, dat de levenskracht in en door zich zelf is, terwijl de energie van de stof ontstaat uit omzetting van kracht. De eerste is immanent, spontaan, de tweede evolueert. De eerste is een potentie, niet gebonden aan physische en chemische wetten, de tweede een energetische kracht, wel gebonden aan genoemde wetten en aan die van behoud en omzetting van arbeidsvermogen. Driesch 1), de machtige bestrijder van de psycho-physische paralleliteitstheorie, noemt de levenskracht in dezen vorm: entelechie, d.w.z.: „das Lebensprinzip das gestaltend und richtend wirkt”; von Uexkühl en andere moderne biologen geven er andere namen aan.

Uit een psycho-biologisch oogpunt zijn naar mijn meening de termen: entelechie (naar Driesch), Zielstrebigkeit, dominanten en hoe zij verder in deze betrekking genoemd mogen worden in hun wezen identiek; gesubordineerd aan het begrip instinct.

Met betrekking tot het begrip entelechie dient met een enkel woord aangeduid te worden het onderscheid tusschen ziel en instinct. Immers de mensch is een bezield wezen, dat denkt, voelt en wil, derhalve begaafd met de rede, in tegenstelling met het dier, dat geen rede heeft. Dit is de eeuwige en onoverbrugbare kloof tusschen mensch en dier. Alleen al om die reden faalt de theorie van Darwin wat betreft de descendentieleer.

Het onderscheid tusschen mensch en dier in bovengenoemd opzicht wordt wel heel duidelijk door de bekende vergelijking, dat bijvoorbeeld een kat, wat betreft zijn geestelijke vermogens vanaf de oudste tijden, een kat was, evenals thans, terwijl de mensch, dank zij zijn rede, (potentie van de ziel) in den loop der tijden de cultuur geschapen heeft. Het dier is begiftigd

i) Hans Driesch: Leib und Seele.

Sluiten