Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET VEELVULDIG ONNOODIG GEBRUIK VAN BRILLEN

heiszt nicht Ich bewuszter, unanschaulicher Organismus mit immanentem Wirkensgesetz”, en elders1) zegt hij betreffende Entelechie: „Entelechie hat keinen Sitz. Denn Entelechie ist auch Seele”. Waar Driesch weer op een andere plaats (Leib und Seele, blz. 88) van Entelechie zegt: „das autonome nicht mechanische „Natur” agens (Natur door mij gecursiveerd), blijkt m.i. daaruit zijne natuurbeschouwing der ziel (immers zegt hij blijkens den voorgaanden zin „Denn Entelechie ist auch Seele”); staat hij dus op het pantheistisch standpunt en aanvaardt dus niet het transcendente begrip. De verschillende opvattingen omtrent het metaphysisch probleem ziel-lichaam overwegende, ben ik persoonlijk de overtuiging toegedaan, dat alles wat in ons denkt en leeft zijn ontstaan vindt uit en door de ziel, het goddelijke in ons.

Aldus beschouwd is iedere functie van ons lichaam, eo ipso die van de zintuigen, een opdracht van de ziel hetzij aan de hersenen dan wel aan het vegetatief zenuwstelsel, bewust dan wel onbewust, voor het „Ik”. Geschiedt dit bewust, dan heeft dit plaats door de wil, de werkdadige factor van de ziel.

Hersenen en vegetatief systeem ontvangen naar mijne opvatting impulsen van de ziel en niet prikkels van physischen of chemisch en aard, zooals de mechanistische leer aanneemt. Door de analytische methode van de materieele mechanistische leer wordt de wetenschap wel is waar verrijkt met een ontzaglijk groot aantal bouwsteenen, ieder daarvan zeker van meer of minder groote, niettemin relatieve waarde, en wel daarom relatief, daar zij nog ordeloos liggen. Eerst wanneer zij onder hoogere leiding gerangschikt en door cement verbonden zijn, gaan zij beantwoorden aan het doel, n.1. de synthese van een wetenschappelijk stelsel, of zooals Goethe die methode van natuurwetenschappelijk onderzoek als de ware beschouwt: „die allein .... auf der Verbindung von Induktion und Deduktion, von Analyse und Synthese, von Erfahrung und Idee .... beruht” 2).

Daar het wezen van het leven wortelt in de ziel, die wij op haar beurt beschouwen als de emanatie van den Al-Geest, echter niet in pantheïstischen zin, doch als afstraling van de Eenheid — van God —, dan is het m.i. logisch aanvaardbaar, dat ook de levensverrichtingen, die wij wetenschappelijk als physiologie be-

1) Hans Driesch: Philosophie des Organischen.

2) Bielschowsky: Bd. II, blz. 457.

Sluiten