Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kleine El kreeg het vermoeden dat hij misschien geen gewoon mensch was, misschien een toovenaar, misschien een demon, en hij be,sloot terstond scherp op zijn hoede te zijn.

Zij gingen voort den langen, langen weg die gedurig steeg, tot zij bij het vallen van den avond, toen de zon donker in de diepte beneden hen verzonk, de hooge woestijn bereikten, de eindelooze vlakte van gerimpeld zand, paars verlicht. Hier gebood de kleine El den gevangene neder te liggen opdat hij uitgerust zou zijn voor het vastgestelde uur. Krijn zeeg op den grond als een leege, uitgewrongen zak, en sloot de oogen. Terwijl hij sliep, zooals het scheen, stonden de gewapende engelen rondom hem met de handen op het zwaard geleund en de sterren kwamen aan den hemel.

De tijd ging, de sterren liepen flonkerend hun banen. De kleine El, op den grond zittende, tuurde naar alle streken in de duisternis. Plotseling ontwaarde hij iets zwarts dat langzaam naderde, stilhield, aarzelde en weer terug trok. Hij richtte zich op en om zich te overtuigen dat de godloochenaar er nog was bukte hij zich over hem neder. Aan de rustige ademhaling zag hij dat Krijn sliep, maar aan een zekeren onmisken-

Sluiten