Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baren glimlach zag hij tevens dat de ziel den slaper had verlaten. Hij begreep dat zij den tocht tevergeefs hadden gedaan, immers wat baatte het met een ziellooze voor het gericht te verschijnen? En hij kon wel raden wie het was die hen aldus had bedrogen. Wacht hier, sprak hij tot de bewakers. En hij rees in de duisternis, hij vloog in kringen steeds wijder rond, steeds sneller.

Eerst toen de horizon grauw werd bespeurde hij daar de gestalte van den donkeren heer, langzaam en gebogen gaande of hij een zwaren last droeg. Hij ijlde er heen. De gestalte bleef staan en wierp den last neder, El zag dat het iets zwarts en glibberigs was. Die heer begon haastig een grooten rotssteen er heen te wentelen. Toen El nader kwam stond hij tegen dien steen geleund, lachend en zich met de mouw het voorhoofd vegend. De engel herkende hem, het was de Asjmodee, de lasteraar van God, met wien hij niet spreken mocht. De Asjmodee, die er nu niet als een fatsoenlijk heer uitzag, sprak hem toe:

Wel, kleine kruiper voor dien grooten heer daarginds, kom je het zieltje van een worm hier zoeken? Het ligt daaronder, raak dan dien steen maar aan en maak je handen stinkend. Mijn is

Sluiten