Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij dien man, zwart van kolendamp. Hij liet hem grijpen. De jonge man werd onderzocht, maar men vond geen wapens, want hij had al begrepen dat zij niet noodig waren.

Terstond verder reizen kon de kanselier niet. Hij at niet meer, hij sliep alleen van opium. Toen hij weer vertrok zag hij den jongen man, die achterbleef en hem nakeek. Hoe het kwam dat de angst hem nog erger benauwde, wist hij niet.

De wreker had ontdekt dat het geen volle wraak zou zijn hem te dooden, want zoodra hij stierf was hij hem ontgaan. Toch was dit het meeste wat hij mocht doen.

In de andere stad ontving de kanselier een briefje met de woorden: Domme duivel om weg te loopen, duizenden wachten op je. Hij werd een paleis binnengedragen, hij nam zijn slaapmiddel en sliep.

In den morgen werd hij vroeg wakker, te versuft om de oogen te openen. Hij hoorde dat zijn lijfdienaar door de kamer liep, hij keek eens en hij zag dat hij de jas met goud gereed legde, de jas die hij sedert lang niet gedragen had, hij bezon zich welken aanzienlijke hij dezen dag ontvangen moest. Een klok sloeg, hij kwam uit bed. Toen hij gekleed was belde hij. De lijf-

Sluiten