Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen koning Doro ontwaakte hoorde hij hem malen, hij kwam in zijn binnenhof waar de knechts bezig waren de gouden munten op hoopen te werpen. Hij stond en keek, hij hoorde de klok van het lof niet eens, zoo stond hij te kijken voor al zijn goud. En toen de bisschop kwam gereden om hem te vermanen, bleef ook hij verblind staan voor al het goud. Den regen noch den wind merkten zij, van de zee hoorden zij niets.

Grauw was het over de wateren, die drongen en wrongen als hongerige geesten. De regen viel, de nevel daalde, rees en waarde rond. Dan klotsten de wateren weemoedig, dan brulden zij uit hun binnenste holten. Doode visschen werden in menigten tegen den muur geslingerd, doode zeelieden dreven voorbij, met wier en schelpen begroeid. De molen maalde, de dubloenen rinkelden, maar de zee werd ziek door gebrek aan zout.

Uit Oost en West trokken de kooplieden aan met lastdieren zwaar beladen, men zeide dat in den burcht de rijkdommen zoo groot waren als nergens was gezien, smaragden en paarlen genoeg voor alle koninkrijken.

Toen de noorderwolken begonnen te jagen

Sluiten