Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Joris in een tijd toen het rentestelsel sedert lang verdwenen was en er op school niet eens geleerd werd wat dat geweest was. Joris had het lot dat zijn ouders en verwanten hem een onuitputtelijken voorraad papieren hadden nagelaten, een zolder vol, benevens groote scharen, en dat de overheid hem behandelde met piëteit als den laatsten van een soort. Op gezette dagen verschafte zijn bezit hem zooveel werk dat hij niet eens kon wandelen en soms zijn dieren bijna vergat. Een paar weken was hij bezig met het knippen van papier, waar hij kleine keurige pakjes van maakte. Met een zware tasch ging hij dan op een morgen naar het monument van de Bank op het Groote Plein, waar op de stoep een aantal heeren hem eerbiedig tegemoet trad. In de eenzame marmeren hal werd bij zijn binnentreden terstond een luik opgeschoven en een man met een breed rood gezicht staarde hem verwonderd aan, of hij moeite deed zich iets te herinneren. De laatste! riep hij plotseling. De heeren, in een kring rondom Joris, zeiden om beurten dat het hun genoegen deed en hun voorman hield een korte toespraak over een oude traditie, vertegenwoordigd door Joris, over de voorouders, over heldenvereering en zoo meer,

Sluiten