Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opzichtig gekleed, dunne armen en dunne beenen. Toen de gedaante aan den overkant voor de tapperij de Wilde Man wat langer bleef staan, vergeefsche moeite want de waard sliep vast, nam Ouwens zich voor hem goed op te nemen wanneer hij dichter bij kwam. Maar zijn aandacht werd afgeleid door een andere gedaante, die om den hoek van de Nieuwstraat kwam, en al een even grooten kop had. Ouwens bromde in zich zelf en streek zijn snor. De eerste gedaante intusschen genaderd zijnde, zag hij iets wits en blauws op den kop, een zonderling gedraaiden doek zooals de Mooren dragen, en de mond was wijd open met groote witte tanden alsof hij lachte, maar zonder geluid. Wie het toch kon zijn? Toen sloeg de klok, maar bij den tweeden slag was het of de klepel lam werd en weer terug viel, en verder sloeg hij niet. De torenwachter was den tel kwijt of wel zoo slaperig dat hij niet eens wist wat hij deed. De eerste gedaante was hem nu weer voorbij geloopen en stond voor den kleerenwinkel stil. Wat de waker daar zag vond hij al heel gek. Er kwamen heeren buiten, eerst twee, toen drie, toen zooveel dat hij ze niet telde, heeren met hooge hoeden, met schildershoeden of bloots-

Sluiten