Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

„Ja,” zei Joop, „’t wordt een erg deftig pension, hè Els?”

„Misschien,” antwoordde Els. „Ik denk eigenlijk van wel.”

„Vindt je moeder het prettig?” vroeg mevrouw Hondius voorzichtig.

„Och, prettig... ja... ’t moét wel, hè? Vader heeft geen betrekking, begrijpt u. ’k Heb u al verteld, dat hij in Indië is geweest, maar daar was niets te vinden. Toen kwam moeder op ’t idee, om een pension te beginnen.”

„O, juist. Een heel goed idee,” antwoordde mevrouw Hondius koel. „Het is alleen ... je krijgt dikwijls zulke... verschillende mensen, hè?”

„Nou Moeder,” zei Joop flink, „zij krijgen zulke deftige mensen. Er komt nu eerst een jonkheer de Kooi met zijn vrouw en eh ... en de twee jonkertjes ...”

Mevrouw Hondius stak haar neus in de lucht. „Jonkheer de Kooi... hé ... daar heb ik nooit van gehoord.”

Els liep langzaam rood aan en Joop zat maar verwoed te knipogen, dat ze haar helpen moest met de levensgeschiedenis van de familie de Kooi. Maar Els durfde geen verdere bijzonderheden te vertellen. Dat was haar toch een beetje tè erg.

„’k Zal ’t toch es aan m’n man vragen,” zei mevrouw Hondius, „of hij die naam kent.”

„En wie krijgen jullie nog meer, Els?” vroeg Joop dapper.

„Mevrouw Landsma uit Arnhem, met haar zoon.”

Mevrouw Hondius ging hier niet op in. De naam Landsma was voor haar gelijk aan Smit of Jansen. Ze voelde er niets voor. Toen Els wegging, vroeg ze of Joop even meereed naar Wil, maar mevrouw Hondius zei:

„Nee, Elsje, Joop blijft vanmiddag wat bij mij. Ze vliegt al zo veel uit en ze moet nu eerst dat handwerkje afmaken voor tante Aleid.”

Sluiten