Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

„Ja mefrau, antwoordde Kathe, „ik bien op mijn hoed.”

Ja, die Kathe kende aardig wat Hollands, al bracht ze de meeste uitdrukkingen verkeerd te pas. Juist toen alles stond te stomen en te zieden, kwamen Joop en Wil binnenvallen. Mevrouw Verschoor had haar best gedaan, om de meisjes in de huiskamer te houden, maar dat lukte niet: ze waren veel te benieuwd. De kalme Wil zag dadelijk, dat er iets voor haar te doen was en ze hielp mede met de slaatjes. Ze deed het keurig netjes. Toen wou Joop helpen met de flensjes, maar Els duwde haar resoluut op een stoel en zei: „Kijken mag je gerust, maar helpen niét.”

„Hè toe, Els,” zeurde Joop, „laat mij nou ook es een flens maken. Ik ben een grote flenzenkunstenares, ’k Heb mijn hele leven niets anders gedaan dan flenzen-bakken.”

De koekepan stond al op het vuur en was heet. Toen Els zich even omdraaide, om weer in de soep te roeren, deed Joop een flinke soeplepel vol beslag in de koekepan.

Het sputterde en knapperde en Joop stond er met een vork in te prikken en zei, dat dat nodig was, want er moest lucht onder komen.

„Wat doe je nou toch?” vroeg Els nijdig.

„Dit wordt een flens, Elsje!”

„Onzin, dat wordt een dikke pannekoek! Flensjes moeten juist heel dun zijn!”

„Dan eet ik ’m wel op,” zei Joop. „Moeten jullie kijken! Nu is hij bruin van onderen en ik ga ’m omdraaien! Dat kan ik zó keurig! Wip zeg ik en dan gooi ik ’m zo om! Heb ik van m’n moeder geleerd. Let op!”

De huzarenslaatjes stonden gereed en Els keek met een angstig voorgevoel naar Joops pannekoek. Ze stak er het pannekoekenmes onder, lichtte de dikke pannekoek, die al tamelijk zwart geworden was, een eindje op en gooide hem omhoog.

Sluiten