Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

Meneer de Kooi had lang overlegd met zijn vrouw en eindelijk hadden de ouders hun toestemming gegeven. Joop zou van de partij zijn en toen Henri Landsma van het plan hoorde, vroeg hij of hij mee mocht. Els had er niet veel zin in, maar ze kon natuurlijk niet weigeren, want ’t was „verboden” om een gast voor ’t hoofd te stoten.

Met hun vijven trokken ze het bos in. Fons en Jan waren uitgelaten; ze schenen het heerlijk te vinden, dat de strenge blik van hun vader niet op hen rustte. Ze renden en ravotten, als jonge honden.

Henri Landsma liep tussen de twee meisjes in en vertelde druk over z’n studie in Leiden, over z’n vrienden, over z’n geliefde hockeysport en over zijn ziekte.

„Ik studeer namelijk rechten, ziet u,” zei hij. „En later hoop ik me te vestigen als advocaat. Het lijkt me een heel mooi beroep.”

„Kent u m’n broer niet?” vroeg Joop. „Hij zit op ’t gemeentehuis in Leiden en hij leert voor burgemeester.” .

„Hondius? Neen, die naam is me niet bekend. Hoe oud is uw broer, juffrouw Hondius?”

„Vier-en-twintig, meneer Landsma.”

„Neen, die ken ik niet. Misschien komt hij niet in studentenkringen.”

„Dat is mogelijk,” antwoordde Joop, maar bij zichzelf dacht ze iets anders. Ze wist heel goed, dat haar broer wel degelijk met studenten omging nadat hij in Leiden zijn meesterstitel had behaald. Maar Eugène kwam waarschijnlijk in andere kringen dan Henri Landsma, want Joops broer was, net als zijn moeder, erg gesteld op goede familie en mooie namen.

„Juffrouw,” zei Fons, de oudste van de twee, „kunnen we in een boom klimmen?”

„’k Weet niet of je ’t kunt, Fons,” lachte Els, „maar probeer ’t es.”

Sluiten