Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

buiten. „Meisjes,” riep ze, „hebben jullie hier soms iemand in de kamer gezien?”

Joop draaide zich om en liep met gebogen hoofd weg. Om de hoek van het huis zat ze te snikken van het lachen. Els kon zich haast niet goed houden, maar ze dwong zich om een ernstig gezicht te trekken en ze antwoordde: „Neen, mevrouw, we hebben niemand gezien.”

Daar was het hoofd van meneer de Kooi: „Och welneen. Mijn vrouw verbeeldt zich iets. Het is niet mogelijk.”

Toen gaf mevrouw de Kooi het op. De zekerheid, dat er niemand geweest kon zijn, was overweldigend. Ze had het wel gezien, maar ze begreep nu toch, dat ze zich vergist moest hebben.

Els en Wil volgden Joop naar de achterzijde van de tuin. Daar konden ze rustig uitlachen, zonder dat ze gehoord werden.

De heer en mevrouw de Kooi hadden blijkbaar afgesproken, om niemand iets over het malle geval te vertellen, want Els hoorde er later niets meer van. Toch was ze bang, dat mevrouw de Kooi er nog mee naar haar ouders zou gaan en daarom vond ze het beter, om de geschiedenis van de gummiring aan haar moeder te vertellen.

„O, die Joop, die Joop,” zuchtte mevrouw Verschoor. „Ik wou werkelijk maar, dat ze niet zoveel meer kwam. Daar is nu altijd iets mals mee. Je had het haar moeten verbieden, Els, om in die kamer te klimmen. Stel je voor, dat meneer de Kooi haar daar onder het bed ontdekt had!”

Die dag keek Els zo nu en dan onderzoekend naar mevrouw de Kooi. Maar ze scheen het geval vergeten te zijn en ze scheen nu ook in te zien, dat ze zich vergist moest hebben.

Na het eten klaagde Kathe over hevige hoofdpijn. Ze zag er bleek uit en Els was bang, dat ze ziek zou worden. En dat kon niet! Waar haalde ze zo gauw een noodhulp

Sluiten