Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI

JOOP ALS KELLNERIN

„Moeder voelt zich helemaal niet goed,” zei meneer Verschoor, „en ze blijft vandaag verder in bed. Ik zal helpen, zo goed als ik kan en moeder vraagt, of je boven wilt komen, om alles over het eten met je te bespreken. Ze wil beslist opstaan, maar ik wil ’t niet hebben, hoor.”

„Natuurlijk niet,” antwoordde Els. „Ze blijft er lekker in. Ik ga dadelijk door, naar boven.”

Mevrouw Verschoor begon natuurlijk weer over opstaan, maar Els was kordaat en bleef op haar stuk staan. Ze zei, dat ze hulp genoeg had aan Joop en Wil en dat ze ’t best alleen af kon. Ze deed verslag van haar tocht naar het ziekenhuis en toen spraken ze over ’t eten.

„Lieve kind, ik maak me zulke zorgen,” zei mevrouw Verschoor met tranen in haar ogen. „Ik maak me zó zenuwachtig. Ik weet wel, dat je aardig koken kunt, maar nu Kathe er niet is ... en dan al die gasten ... neen hoor, ik sta op en ik kom je helpen.”

Geen sprake van, Moeder. Als ik iets niet weet, kom ik het wel vragen.”

En toen begon de drukte. De familie van Amstel moest thee hebben in de tuin en mevrouw Landsma en haar zoon ook.

„Beste kind,” zei mevrouw Landsma. „Nu Kathe ziek is en je moeder op bed ligt, kan je het toch niet alleen af? Mag ik je komen helpen in de keuken?”

Sluiten