Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

Maar toen Joop twee minuten later weer in de keuken kwam, was ze bleek.

„Die Huges,” zei ze, „die Huges is een naarling! ’t Is een onbeschofte vlerk! Weet je, wat-ie tegen me gezegd heeft?”

Els schrok. „Er is toch niets vervelends gebeurd, Joop?

„Iets vervelends? Iets ontzettends! Een toestand! ’k Weet niet, wat ik doen moet. Waarom blijft die vent niet in Den Haag! Die kwast!”

„Maar Jopie... wat heb je toch?”

Allerlei gedachten schoten Els door het hoofd. De heer Huges had toch geen onaangename dingen tegen Joop gezegd?

„Weet je, wat die man me gevraagd heeft?”

„Neen, wat dan?”

„Hij heeft me gevraagd, waar de familie Hondius woont. Schandelijk! Hij zegt, dat-ie een oude studievriend is van m’n vader en hij wil vanavond een bezoekje gaan afleggen bij de familie Hondius. Bij Hondius, hoor je?”

„Goeie genade.”

„Ja, hij vroeg, of ik hier in de buurt bekend was. Ik heb gezegd: neen, meneer, ik ben hier vandaag voor’t eerst. Ik ben een noodhulp.”

„En wat doe je nou vanavond?”

„Ja, dat weet ik ook niet. Ik verstop me. Ik blijf vannacht zwerven in de bossen. Ik ga als verstekelinge met een trein naar Amsterdam. O, Els... ik zit er zo mee. Ik kan die man wat doen.”

„Maar Jopie, wees toch niet zo onredelijk! Dat kan die meneer Huges toch niet helpen?”

„Waarom zet die man geen bord op zijn auto: ik kom voor Hondius! Echt listig. Eerst niks zeggen en dan loop ik er in. O Joop, wat moet ik doen? Dan zegt moeder vanavond: en dit is m’n dochter Joop. En dan zegt die meneer

Sluiten