Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

der soms tegen jou ook gezanikt over mij?”

Joop keek haar vriendin verbaasd aan. „Wat bedoel je?”

„Ja, ze zeggen allemaal, dat ik er slecht uitzie en dat is maar onzin. Ik kan het werk best af. En toen moeder met het plan kwam, om een pension te beginnen, heb ik dadelijk gezegd, dat ik flink helpen zou. Dat wil ik nu doen ook.”

„Kind, wat is er?” vroeg Wil. „Vroeger was je nooit zo kortaf. Je loopt tegenwoordig altijd met een gefronst voorhoofd rond en je lacht nooit meer. En ik weet wel hoe dat komt: je hebt het veel te druk. Je hebt geen vrije tijd genoeg.”

Els keek haar met grote, nijdige ogen aan. „Komen jullie daarvoor hier, om tegen mij te zeuren? Ik voel me best en ik ben goed en ik heb geen zin in die praatjes.”

Wil was beledigd. Ze zei niets meer en ook Joop was stil geworden. Nog een kwartiertje bleven de meisjes zitten, maar de stemming was landerig én het vlotte plotseling niet tussen hun drieën. Dat was nog nooit,, gebeurd. Els merkte het heel goed en dat maakte haar nog kwader. Zoals alle mensen, die overprikkeld zijn en nerveus, wilde zij zich niet bekennen, dat zij de schuld was van die vervelende stemming. Ze voelde zich volkomen in haar recht en zei niets, toen Wil en Joop elkaar veelbetekenend aankeken, en opstonden.

„Als ze vervelend zijn, moeten ze maar weggaan,” dacht Els.

„’t Was beter om weg te gaan,” zei Wil tegen Joop. „Els doet vreemd. Och ja, ze heeft het véél te druk. Misschien is ze morgen weer anders. We moeten het haar maar niet kwalijk nemen.”

„Wel neen, natuurlijk niet,” antwoordde Wil, „we nemen het haar ook niet kwalijk. Maar jammer is het toch, als je

altijd goeie vriendinnen bent geweest.

s *

Sluiten