Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

wel genoeg voor één week. Desnoods moet ik één keer wassen. En ik heb ook nog twee paar sokjes bij me en een extra paar schoenen. Want als we soms een regendag hebben, loop ik niet graag met natte schoenen rond.”

„Wil, schiet op,” zei Joop zenuwachtig. „Je prutst zolang! ’t Is, of we nooit weg komen.”

„Kalm, Jopie, kalm. Alles komt in orde. Even goedendag zeggen.”

Mevrouw Brinkman keek de meisjes na, toen ze wegreden. Ze maakte zich geen zorgen. Els en Wil waren verstandig genoeg. En die zouden wel kans zien, om Joop ook op het rechte pad te houden. Ze had gisteren nog een telefoongesprek gehad met mevrouw Hondius. Die vroeg, of mevrouw Brinkman haar dochter nog eens op het hart wilde drukken, dat er toch vooral goed op Joop gelet moest worden.

„Wat een rare zomer, hè?” riep Joop. „Het regent tegenwoordig haast nooit.”

„’t Is vandaag wel èrg warm,” antwoordde Wil, „maar straks krijgen we het fietspad door het bos. Daar heb je geen last van de warmte.”

Het was ongeveer veertig kilometer rijden van Groenbergen naar het meisjeskamp Heidendaal. De weg voerde eerst over de straatweg en dan konden ze het laatste gedeelte door het bos fietsen. Ze reden stevig door en Joop was in een uitgelaten bui. Ze zat te dansen op haar fiets en rijpide op alles, wat de andere meisjes zeiden. Ze zong dwaze liedjes, die ze van het meisje in de keuken had geleerd en ze stak Els en Wil met haar vrolijkheid ook aan.

Bij een bocht van de straatweg zagen ze een drietal woonwagens. Een stuk of vier zigeunerinnen gingen midden op de weg staan, zodat de meisjes er niet door konden en staken hun hand op. Joop was zo dom, om te rem-

Sluiten