Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

We rekenen er op, hoor! En als je niets leuks kunt krijgen, om aan te trekken, dan komen jullie morgenochtend maar bij ons. Miep zal je wel helpen.”

De meisjes beloofden, dat ze er zouden zijn en ze wandelden terug naar het kamp.

„Een blauwe plek op m’n schouder en m’n neus in de boter,” zei Joop. „’k Ga morgenavond reuze keet schoppen. Dat kan ik nou es fijn doen, want vader en moeder zijn veertig kilometêr ver.”

„Maak het maar niet tè gek,” vermaande Wil, „want dan horen je ouders het toch.”

„Onzin, dat horen ze niet. Vader spreekt burgemeester van Doom maar zelden. Alleen bij feestelijke gelegenheden. Ze schrijven elkaar nog wel es, maar altijd over gemeente-zaken. Nee jongens, morgenavond ga ik de bloemetjes buiten zetten. Ze zullen Joop leren kennen.”

Wil keek haar vriendin bezorgd aan: „’k Geloof, dat ik thuis blijf, als je dat van plan bent, Jopie.”

„Dan zal je heel wat missen! O, kind, we zullen ons ziek lachen. Weet je wat? Ik ga als politieagent en dan arresteer ik die Conny.”

„Suf kind,” antwoordde Els.

„Een naarling,” zei Joop, „’k zal ’r morgenavond wel es op ’r nummer zetten. Maar die andere drie zijn aardige lui.”

Na het eten bleven ze wat in de cantine plakken en ze bespraken het moeilijke geval met dikken Hein en z’n vrouw. Die twee hadden al gehoord van het feest op de tennisbaan en de heer van Leusden zei:

„Dus nu moeten jullie costuums hebben? Da’s nog niet makkelijk, om die maar zo uit de grond te stampen. Weet jij wat, vrouw?”

„Neen,” zei Heins vrouw, „dat zou ’k maar zo niet weten. Wacht es... misschien weet ik toch iets. Miene! Miene, kom es hier!”

Sluiten