Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

laten voelen, dat ik helemaal niet zo op ’m gesteld ben.”

„Henri Landsma, hè?” zei Joop plagerig.

„Ja Joop,” zei Wil, „en nog tien anderen. Plaag Els maar niet, want daar kan ze tegenwoordig niet meer tegen.”

„Onzin,” antwoordde Els, „ik kan er best tegen. Maar ’t is heus waar, wat ik zeg: ik vind Wim heel aardig, maar ik voel niets voor ’m. Zouden jullie ’t leuk vinden, om later te trouwen met een man, die alleen houdt van jazz en van tennis en van golf en van films?”

„Neen,” antwoordde Wil, „dat vond ik trouwens van al die jongens. Die Mieltje ook! Een aardige jongen, maar d’r zat niets bij.”

„Nou, dat moet je niet zeggen,” begon Joop.

„O,” zei Els. „Vind jij Mieltje zo aardig? Nou, ’t is misschien wel een geschikte voor jou. Ook al zo’n malle.”

„Och,” zei Joop, „hij zal me toch niet willen hebben. Moeder zegt, dat niemand met mij wil trouwen, als ik altijd zo gek blijf doen. Enfin... we zullen ’t wel af wachten. Hebben jullie nog geld om te perlen?”

„’k Heb nog een heleboel over,” zei Els. „Laten we maar weer in datzelfde theehuis gaan zitten, waar Joop haar aanstaande voorbij heeft zien rijden.”

„O ja, die slager,” lachte Joop. „Als we ’m nu wéér zien, weet ik zeker, dat het m’n echtgenoot zal worden.”

Tegen vijf uur kwam Els thuis. Ze was erg benieuwd, hoe het intussen met het pension gegaan was. Ze had een kort briefje van haar moeder gekregen, waarin ze schreef, dat er nieuwe gasten zouden komen; die moesten er nu al zyn, want dat briefje was van vier dagen geleden.

Door de openslaande deuren liep Els naar binnen. Vader Verschoor straalde, toen hy de gezonde kleur op de wangen van zijn dochter zag. Hij knipoogde tegen zijn vrouw en die knikte blij terug.

Sluiten