Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

wel prettig, om weer thuis te zijn. Toen ze de eerste dag in het kamp was, zag ze er tegenop, om terug te gaan naar huis, maar in de loop van de laatste week was dat gevoel gelukkig verdwenen. Ze had er weer plezier in en ’t was toch wel een heerlijk gevoel, dat ze nu niet in de keuken hoefde te staan jachten, om alles klaar te krijgen. Natuurlijk zou het druk genoeg worden, als moeder weg was, want dan moest zij, met Kathe, alles bedisselen, maar véél van het werk, dat eerst op haar schouders gerust had, kon ze nu laten doen door „Merie.”

Moeder had haar verteld, dat er met juffrouw van Eisden verder niets bijzonders gebeurd was. De huishoudster had haar werk heel goed gedaan, maar toch was ze door de gasten van het pension niet gewaardeerd. De gasten vonden haar waarschijnlijk te vervelend. Ze keek ook altijd zo sip. En Els begreep, dat een vrolijk en opgeruimd gezicht in een pension soms nog méér waard is, dan een keurige vaste-wastafel.

Ze was nieuwsgierig naar dien zeekapitein en daar zag ze in de achtertuin twee oude dametjes zitten met een ouden heer. Els ging op het tafeltje af en zei:

„U bent zeker kapitein van der Blonk? Ik ben Els Verschoor.”

„Zo, beste meid,” zei de kapitein joviaal, „ja, we hebben al van je gehoord. Je moeder raakt over1 jou niet uitgepraat.”

Els nam den ouden zeeman eens goed op. Hij was tamelijk gezet en hij had een blozend, rond gezicht, met een wit baardje.

„En nou zal ik je meteen es voorstellen aan de meisjes,” zei de kapitein. „Dit is m’n zuster. En dat is juffrouw Kortenaar, daar woont mijn zuster mee samen. Ja, die twee wonen in Amsterdam op een bovenhuisje met een kat en drie kanaries.”

11 *

Sluiten