Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

„Heel aangenaam, lieve kind,” zei juffrouw van der Blonk.

„Aangenaam,” zei juffrouw Kortenaar kortaf.

De zuster van den kapitein was lang en mager, ze had het grijze haar in een knoetje achter op haar hoofd en ze leek nogal „steil.”

Juffrouw Kortenaar was kort en dik, een gezellig oud dametje.

„En wat zeg je me nou van dat stel?” vroeg de kapitein. „Ik noem ze altijd Watt en half Watt.”

„Toe, Karei,” zei juffrouw van der Blonk vermanend. „Ja, Els, m’n broer praat altijd zijn mond voorbij. Daar moet je maar niet teveel op letten. Hij is... enfant terrible. Ik houd niet van die grapjes.”

„Nou Mien,” zei juffrouw Kortenaar vergoelijkend. „Je broer...”

Maar ze zweeg plotseling want juffrouw van der Blonk keek haar bestraffend aan.

„Hebt u altijd gevaren?” vroeg Els, om iets te zeggen.

„M’n leven lang! Altijd op zee. Ja... en toen ik-met pensioen ging, wou m’n zuster, dat ik bij ’r in kwam wonen, maar ik zeg: aan mijn lijf geen polonaise. Die kat en die drie kanaries zouden me maar op m’n zenuwen, gaan werken. Zie je, die twee meisjes hebben van die gewoontes, daar kan ik me toch niet meer bij aanpassen. Maar nou hebben ze me toch overgehaald, voor een weekje in een pension te gaan. Nou, ik vind ’t best hoor, maar ’k verlang toch wel weer naar m’n Rotterdam. Och ja, daar kennen ze me allemaal. Iedere dag kom ik aan de havens, weer of geen weer. ’t Valt niet mee, om als je je nog flink voelt, de hele dag te moeten passagieren. Maar enfin... ze willen me niet meer. ’k Heb nou eenmaal de leeftijd.”

Mevrouw Verschoor riep Els naar binnen en toen ze

Sluiten