Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

weg was, zei juffrouw Kortenaar: „Dat is een aardig meisje.”

„’k Wéét ’t niet,” merkte juffrouw van der Blonk op. „Ze heeft zo-iets in haar ogen...”

„Zo-iets wat?” vroeg de kapitein.

„Ja, zo-iets... je weet wel.”

„’k Weet ’t niet, Mien. En ’t lijkt mij een beste meid.”

„Och, die jeugd van tegenwoordig,” zuchtte juffrouw van der Blonk.

„Nou Mien,” zei juffrouw Kortenaar. Maar meer had ze niet te vertellen, want zij was degene, die zweeg en juffrouw van der Blonk was degene, die praatte.

Mevrouw Verschoor toonde Els de nieuwe ijskast, die twee dagen geleden gekomen was. Els was er verrukt over.

„We konden er niet meer buiten,” zei mevrouw Verschoor. „Vooral in deze warme dagen... alles bederft en je weet niet meer hoe je sommige dingen koel moet opdienen.,/Kijk es... daar komt Henri Landsma aan! Hij zal blij zijn, als hij je ziet. Hij heeft een paar maal naar*je gevraagd.”

Els ging hem tegemoet en hij schudde haar hartelijk de hand.

„Juffrouw Verschoor... prettig gekampeerd? ’k Heb u werkelijk Jjenijd. Moeder denkt nog maar steeds, dat ik ziek ben én ik mag niets. Maar enfin, na deze vacantie ga ik weer aan m’n werk en dan ben ik weer vrij. Och, ze-pieent het goed. Ze heeft de beste bedoelingen.”

„Natuurlijk,” zei Els, „ik wou wel, dat uw moeder ieder jaar terugkwam. Ze is altijd zo... zo vrolijk en ... ja, ik bedoel dat niet alleen voor het pension, dat ik het prettig zou vinden, maar toch... ook zonder dat.”

„U zegt het verward, maar u bedoelt het goed,” lachte Henri Landsma. „Ja, mijn moeder heeft eigenlijk alleen vrienden, ’k Heb nooit gehoord van mensen, die haar niet mochten.”

Sluiten