Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

„Neen, Agaath, ik zeg je, dat het perziken zijn.”

„Nou Mien, ik gelóóf het niet. Het lijken mij abrikozen.

„Neen, Agaath, want ze zijn rond.”

„Nou Mien, ik vind ze meer ovaal.”

„Dat zegt niets, Agaath, want een -perzik kan heel goed ovaal zijn.”

„Nou Mien, het lijken mij toch meer abrikozen..

„Houden jullie nou es op?” bulderde de kapitein.

„Zeg jij dan es wat,” antwoordde juffrouw van der Blonk verontwaardigd. „Zijn het perziken of abrikozen?

„Mens, wat kan mij dat nou schelen? Voor mijn part zijn het gedroogde vijgen! Als je ’t maar opeten kunt!”

„Toe Karei, denk om de mensen,” zei juffrouw van der Blonk zacht.

De kapitein keek om en zag niets dan verstolen-lachende gezichten.

„’t Smaakt meer naar perziken,” zei juffrouw van der Blonk toen.

„Nou Mien, hoe kan je dat nou zeggen? En je proeft anders zo fijn.”

„Juffrouw,” riep de kapitein. „O ... zeg, Els ... o neen Ans ... o neen Els... wat zijn dat?”

„Ik weet het niet, kapitein,” antwoordde Els. „’k Zal ’t dadelijk gaan vragen.”

Pas in de gang durfde ze het uit te proesten van het lachen. Ze waren werkelijk kostelijk, die twee oudjes. „

„Kathe,” vroeg ze, „zijn het perziken of abrikozen?”

„Kein van beiden,” zei Kathe. „Op het blik staat peeagges.”

„O, peaches? Dank je wel.

„Het zijn perziken, kapitein,” ging Els vertellen.

„Nou, Agaath? Wat zei ik je?” vroeg juffrouw van der Blonk. Ze knikte Els drie keer vriendelijk toe en ze scheen haar plotseling erg aardig te vinden.

Sluiten