Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

„Zo, Agaath,” zei juffrouw van der Blonk. „Is de hoofdpijn over?”

„O ja, Mien, ik ben al een poosje op. Ik zag je net in de tuin lopen en ik riep je nog, maar jij hoorde me niet.”

„Heb jij geroepen, Agaath?”

„Ja, je liep door de achtertuin en toen door het hekje... en ik riep je maar... en ik riep maar en...”

„’t Achterhek? Welneen, Agaath, daar ben ik helemaal niet uitgegaan. Ik ben vóór uitgegaan. Een half uur geleden al.”

„Nou Mien, da’s toch onzin!”

Joop zat op haar zakdoek te kauwen en Wil draaide haar stoel met een ruk om, zodat ze met haar rug naar de dames zat. Els durfde haar vriendinnen niet aan te kijken! Ze kon zich al haast niet goed houden bij Joops snorkende geluiden.

Juffrouw van der Blonk ging er eens recht voor zitten en zei:

„Neen, Agaath, je vergist je. Ik ben niet in de achtertuin geweest.”

„Nou Mien, dat zèg je maar! Dat zeg je alleen, omdat je niet wilt weten, dat je erg doof begint te worden. Ik heb wel tiènmaal geroepen, maar je hoorde niets.”

„Agaath, je bent gek,” zei juffrouw van der Blonk op besliste toon. „Ik ben het dorp ingegaan en door het voorhek binnengekomen.”

„Nou Mien, da’s nou maar onzin! Ik zie, wat ik zie! Ik ben niet blind! Ik zag je zwarte zijdje en je grijze zomerbontje en ik dacht nog: hoe houdt ze ’t uit met die warmte, maar je bent altijd nogal kleumig.”

„M’n zomerbontje? Agaath, je hebt gedroomd! Dat heb ik helemaal niet aan gehad! Neen Agaath, je mag je ogen wel es na laten zien! Je wordt lelijk bijziende! Ja, Agaath, je bent een jaar ouder dan ik en ...”

Sluiten