Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELS NEEMT DE LEIDING

„Neen, neen, dat moet ook es gezegd worden. Ieder paard heeft op zijn tijd recht op een klontje en jij krijgt er nou een. Kom maar hier, dan zal ik je es op je hals kloppen.”

Els was er verlegen onder, en toen ze bleef zitten, kwam haar vader naar haar toe en drukte haar een bankbiljet in de hand.

„Goed begrijpen Els: dit is géén loon voor bewezen diensten, maar dit is een maniertje, om je te tonen, hoe dankbaar ik ook jou ben. Je wou morgen naar de stad, is ’t niet? Dan doe je dat papiertje in een beurs en je loopt net zolang langs alle winkels, tot je iets ziet, wat je dolgraag hebben wilt. We zullen er op rekenen, dat je niet vóór ’s avonds-laat thuiskomt.”

Els ging haar vader en moeder bedanken en toen zei ze, dat het nou mooi genoeg was en dat ze er verder maar niet over moesten praten.

Een kwartiertje later stond ze voor de grote ramen heen en weer te drentelen, vanwaar ze uitzicht had op de oprijlaan. Ze was namelijk de laatste tijd vol belangstelling voor de post. Die ongeïnteresseerde heer, met zijn blauwe pet op, bracht op geregelde tijden een brief uit Leiden, van cand-jur. Henri Landsma. Els had eind Augustus een merkwaardige ontdekking gedaan.

Het was opgevallen, dat de Landsma’s zolang bleven en Henri had haar steeds wijs gemaakt, dat het zijn moeder in het pension zo bijzonder goed beviel. Dat had Els ook aan haar ouders verteld, toen er eens over gesproken werd.

Maar enkele dagen later deed zich het zonderlinge feit voor, dat mevrouw Landsma aan mevrouw Verschoor iets heel anders vertelde.

„’t Is hier natuurlijk erg gezond voor mijn zoon, nu hij zo ziek is geweest en hij schijnt het hier zó heerlijk te vinden, dat hij niet weg wil. Als ik over weggaan spreek,

Sluiten