Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Neen, zéker. Waarom heb je me dat verhaal opgedist van de dood van je moeder ? Als je weg wil, zal ik je immers niet tegenhouden?"

„Ik durfde mevrouw niet te zeggen, dat ik naar een andere njonja ging."

„Maar wel te vertellen, dat je moeder dood is — dat was een heel erge leugen, Sarina."

„Wel een leugen — ik vraag vergeving, mevrouw — maar een kleine leugen."

„Hoe bedoel je dat ?"

„Mijn moeder is al lang ziek."

„Ga je gang maar, Sarina."

Mevrouw de Lange schudt het hoofd. Zij weet niet wat zij moet beginnen, om in de kleine kring, waarin zij door God werd geplaatst, althans iets te doen begrijpen van de zonde van het liegen. Hoe vele malen heeft ze nu reeds getracht duidelijk te maken, dat God, of Allah, zoals zij zegt, over liegen toomt, maar het is, dat blijkt telkens weer, zaaien op een steenrots geweest. O, als ze toch maar één Javaan of Soendanees op het goede pad mocht helpen! Neen, ze durft niet eens te zeggen: „aan de voeten van den Heiland te brengen." Slechts, „op het goede pad," in de goede richting. Wat zou ze dan dankbaar zijn! Maar dat geluk schijnt niet voor haar weggelegd. — Ze gaat naar haar kamer, kleedt zich en wandelt dan heel kalm, want het is reeds warm, al is het nog vroeg, naar het dorp, dat alleen belangrijk is door de suikerfabriek.

In de kleine Chinese wijk, dicht bij de tempel, bevindt zich de toko van Ho-Hin. De taukeh — de baas 2elf — staat voor de deur en geeft een geweldig standje aan een paar Inlanders, die niet vlug genoeg opschieten met het af laden van zakken rijst. Maar als hij de „njonja-pabliek" (Ho Hin maakt van de F een P en kan

2 Siti

Sluiten