Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

SITI UIT DE WAROENG.

Een waroeng is een stalletje, een kraampje, zoals men wel op een Hollandse markt ziet. Op de Javaanse markten, de pasars, staan veel van die kraampjes. Maar niet alleen daar. Op de kruispunten van belangrijke wegen, dicht bij fabrieken, overal, waar veel inlanders langs komen, vindt men waroengs.

De Chinezen houden winkels of toko's, de waroenghouders zijn meestal Inlanders. Zo'n waroeng is een winkel in het klein. Men kan er van alles krijgen, wat in een inlandse huishouding nodig is. Rijst en specerijen, vruchten en klapperolie, strootjes en versnaperingen, koffie en limonade. Aan de waroeng komt de inlandse huismoeder, die om een klein beetje gedroogde vis verlegen is en geen tijd heeft om daarvoor naar de pasar te gaan — of geen geld. Bij den waroenghouder kan zij ,,poffen".

De kinderen, die een cent cadeau hebben gekregen, doen aan de waroeng hun keus uit de verleidelijke lekkernijen, die in stopflessen staan uitgestald. De karrevoerders, die met hun vrachten van het ene dorp naar het andere trekken, houden er halt om een glaasje tamarinde-stroop te drinken en de nietsdoeners roken er hun strootje. Want daar wordt het nieuws van de dag besproken, dat de karrevoerders van verre brengen en dat de nietsdoeners in de buurt hebben opgedaan.

Joesoep heeft voor zijn waroeng een héél gunsti§

Sluiten