Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IIL

BOODSCHAPPEN DOEN.

„Siti, waar ben je?”

„Hier!” — Het meisje komt van achter een heg te voorschijn.

„Waar was je?”

„Er vocht een hond met een slang.”

„Is de slang dood?”

„Neen, ze vechten nog.”

Siti's moeder komt kijken, maar springt geschrokken terug: „Dat is een oeler-welang — kijk maar naar die kringen; als zo'n slang je bijt, ga je dood.”

Siti griezelt. Maar haar moeder houdt zich dapper, nu ze over de eerste schrik heen is, „Geef een stok, vlug, ja die, met de ijzeren punt!” Als ze de stok heeft, wacht ze even, tot de hond de slang een ogenblik loslaat en dan patst ze er op. „Hier daar — tik-tik.” Als de slang dood is, gooit ze die met de ijzeren punt van de stok in een bosje. De hond, een echte dorpshond met een spitse snuit en opstaande oren is niet tevreden vóór hij de dode slang weer gevonden heeft. Maar als ondanks zijn schel gekef de slang stil blijft liggen, gaat het spelletje hem vervelen en probeert de hond een karbouw, die wat sufferig aan de kant van de weg staat, door geblaf uit zijn humeur te krijgen. Maar de karbouw slaat met z'n staart naar de insecten, die het hem lastig maken, en kijkt onverschillig een andere kant uit.

„Wat moet ik doen?”

Sluiten