Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ondertussen is Siti haar wandeling begonnen. Ze gaat eerst naar de suikerfabriek om het ijs af te geven. Als ze op het achtererf van de woning van mevrouw de Lange staat, kijkt ze rond of ze bedienden ziet. Als er niemand schijnt te zijn, gaat ze naar de achtergalerij.

„Tabeh njonja, dag mevrouw.”

„O, daar is Siti met het ijs — gelukkig dat je er bent, we zaten al te wachten.”

„Ik ben direct weggegaan, toen kokki kwam bestellen.”

„Zoo? Nu, het is in orde hoor. Heb je dorst?”

„Neen, njonja.”

„Hpnger?”

„Ook niet.”

„Wil je een mangga?”

„Graag mevrouw.”

„Hier is een mangga-gedong J). Hier heb je er twee, neem ze maar mee naar huis.”

„Dank U, njonja.”

In de achtergalerij zitten een Hollandse heer en dame, die Siti aandachtig opnemen en haar vriendelijk goedendag zeggen, als het meisje wil vertrekken.

„Ben je een Soendanees meisje?” vraagt de toewan en verwonderd kijkt Siti op. Zo mooi heeft ze haar eigen taal nog nooit door een blanke horen spreken. En in haar mooiste hoog-Soendanees, dat ze kent, antwoordt ze, terwijl ze er bij hurkt: „Soemoehoen, djoeragan ageung.” (Uw dienaresse, hoge heer).

„Je bent een beleefd meisje.”

En in de verwondering over het vloeiend Soendanees, dat de bezoeker spreekt, en in haar ijver om te

’) Mangga van de beste soort. 3 Siti

Sluiten