Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

HET ONGELUK.

Het is nog vroeg in de morgen en vrij fris. Aan de waroeng van Maryam staan een paar karrevoerders, die, vóór het nog licht was, met hun vracht van Madjalengka zijn vertrokken en zich nu te goed doen aan een kommetje troebele Javaanse koffie.

„De regens zijn „boven” (in de bergen) al doorgebroken,” zegt een der mannen.

Maryam weet het reeds. „De kali heeft gebandjird x),” voegt ze er aan toe, „de regens komen laat.”

,Ja.” m .

„Kijk — kijk,” roept de man, die zo juist gesproken heeft, „die auto heeft vaart.”

Langs de helling komt een auto in duizelingwekkende vaart naar beneden suizen.

„Die kan niet remmen,” schreeuwt de karrevoerder en plotseling het gevaar inziende, waarin de karren en paarden op de weg zich bevinden, vliegen de mannen naar de paarden om deze naar de zijkant van de weg te trekken. De auto is dichtbij, maar de chauffeur ziet geen kans om de remmen te doen werken. De man begrijpt het gevaar, dat hem dreigt, als hij op de grobaks rijdt, en tracht er om heen te sturen. Maar de laatste grobak staat te veel op het midden van de weg, de chauffeur neemt zijn draai te ver naar de andere zijde,

*) Bandjir — overstrooming.

Sluiten